Welzijnswet

De Welzijnswet van 04.08.1996 (B.S. 18.09.1996) bepaalt het algemeen kader van de regelgeving in verband met het welzijn, de preventie en de bescherming van werknemers. Ook de Europese regelgeving en de omzetting van de Europese richtlijn “Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen” in Belgisch recht, maakten het noodzakelijk om de verouderde wet van 10.06.1952 grondig te herzien. De Welzijnswet heeft kortom een aantal accenten in het preventiebeleid gelegd.

Dit zijn de belangrijkste accenten:

  • Het toepassingsgebied wordt verruimd tot leerlingen en studenten die een vorm van arbeid verrichten in de onderwijsinstelling.
  • De psychosociale aspecten (o.a. stress) worden nu ook aangepakt.
  • Elke werkgever moet een welzijnsbeleid voeren dat gesteund is op algemene principes (risico’s voorkomen, bij de bron uitschakelen of verminderen; voorkeur aan collectieve beschermingsmiddelen boven individuele; zorgen voor opleiding en informatie van de werknemers). Dit beleid moet geïntegreerd worden in het volledige management van de onderneming.
  • De externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, waarin verschillende disciplines zijn vertegenwoordigd, worden belast met de risico-evaluatie. Binnen deze diensten worden aparte afdelingen, die erkend worden door de Gemeenschappen, belast met het medisch toezicht op de werknemers.
  • De erkende organismen en laboratoria worden externe diensten voor technische controles op de werkplaats.
  • Er werd een regeling opgenomen betreffende de tewerkstelling op eenzelfde arbeidsplaats of op aanpalende of naburige arbeidsplaatsen;
  • Er werd een regeling opgenomen betreffende werkzaamheden die uitgevoerd worden door ondernemingen van buitenaf of door uitzendkrachten;
  • Er werd een regeling betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen opgenomen;
  • De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk vervangt de Hoge Raad voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen (VGV) en krijgt hiermee een wettelijke verankering;
  • Het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk (CPBW) vervangt het Comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen (VGV), met als belangrijkste verschilpunten tegenover de vroegere regelgeving dat de opdrachten van het CPBW, ook in ondernemingen met meer dan 50 werknemers, waar geen CPBW is opgericht, uitgevoerd worden door de vakbondsafvaardiging. In ondernemingen waar geen CPBW of vakbondsafvaardiging is, worden de werknemers zelf rechtstreeks geraadpleegd.

Hoofdstuk V van de Welzijnswet schetst het algemeen kader voor de omzetting van de richtlijn “Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen” in Belgisch recht. Dit kader moest worden vastgelegd om de verplichtingen van de verschillende betrokken partijen nader te bepalen en om een onderscheid te kunnen maken tussen bouwwerken met een oppervlakte kleiner, gelijk of groter dan 500 m². 

De diverse partijen zijn: 

  • de opdrachtgever/bouwheer;
  • de bouwdirectie belast met het ontwerp (architect, studiebureau);
  • de bouwdirectie belast met de uitvoering (hoofdaannemer);
  • de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering (architect);
  • de aannemer;
  • de coördinator-ontwerp;
  • de coördinator-verwezenlijking;
  • de zelfstandige;
  • de werknemer. 

De principes van de wetgeving betreffende de  tijdelijke of mobiele bouwplaatsen kunnen als volgt samengevat worden: 

  • Het eerste principe betreft de uitbreiding van de veiligheidsbepalingen naar de diverse partijen die betrokken zijn bij de ontwerpfase (opdrachtgever en architect) en de uitvoeringsfase van het bouwproject;
  • Het tweede principe heeft betrekking op de aanstelling van een veiligheidscoördinator met duidelijk omschreven taken, die zowel tijdens de ontwerp- en studiefase als tijdens de verwezenlijkingsfase van het bouwwerk vervuld  moeten worden bij bouwplaatsen waar verschillende ondernemingen actief zijn;
  • Het derde principe is de verplichting van de zelfstandigen om de preventiebeginselen en de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de bouwplaatsen, te respecteren. 

De welzijnswet voorziet ook een aantal verplichtingen voor de bouwdirectie uitvoering, de aannemer en de onderaannemer

De bouwdirectie uitvoering

  • moet zelf de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen naleven;
  • moet ze doen naleven door alle aannemers en onderaannemers die betrokken zijn bij de verwezenlijking van het bouwwerk, ook als ze maar een indirecte band heeft met deze aannemers of onderaannemers;
  • moet ze doen naleven door de verschillende werknemers. 

De aannemer

  • moet zelf de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen naleven;
  • moet ze doen naleven door zijn eigen rechtstreekse onderaannemers;
  • moet ze doen naleven door de onderaannemers van zijn onderaannemers;
  • moet ze doen naleven door de verschillende werknemers;
  • moet ze doen naleven door iedereen die hem personeel ter beschikking stelt.

De onderaannemer

  • moet zelf de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen naleven;
  • moet ze doen naleven door zijn eigen rechtstreekse onderaannemers;
  • moet ze doen naleven door zijn eigen werknemers en door de werknemers van zijn rechtstreekse onderaannemers;
  • moet ze doen naleven door iedereen die hem personeel ter beschikking stelt. 

Om dit te kunnen bereiken, hebben de betrokken personen een reeks verplichtingen die gelijklopend zijn met de verplichtingen voor werken met derden

De Welzijnswet voorziet strafsancties als bv. de opdrachtgever, de bouwdirectie ontwerp, de bouwdirectie uitvoering maar ook de veiligheidscoördinatoren de wettelijke bepalingen niet respecteren.